maandag 14 mei 2012

Moeten we mobiel?

Britain's first mobile libraryOp de eerste dag van de Amsterdamse editie van de Usability Week van de Nielsen Norman Group (NN/g), maandag 23 april, is Usability of Websites and Apps on Mobile Devices het thema. 's Ochtends draait het vooral om de vraag 'Moeten we mobiel, en zo ja, waarmee dan?'

Uit onderzoek van Pew Internet Research - die organisatie kwam al eens eerder voorbij op dit weblog - blijkt dat mensen mobiele apparaten grofweg op twee manieren gebruiken: browsing en searching. Onder browsing valt het 'ongerichte' en 'ongecompliceerde' gebruik van een smartphone of tablet, bijvoorbeeld het lezen van nieuws of het gebruik van sociale netwerken om de tijd te doden in 'n wachtkamer of op 'n perron. Searching is het voorzien in een specifieke informatiebehoefte die vaak wordt ingegeven door locatie of context: zijn er leuke boekwinkels in de buurt? Staat er nog genoeg geld op mijn rekening om dit boek te kopen? Leeft deze auteur nog?

Als mensen op een mobiele telefoon een bepaalde taak uitvoeren, bijvoorbeeld het plaatsen van een bestelling of het opzoeken van bepaalde informatie, slagen ze daarin beter als ze dat met een app of via een mobiele website doen dan wanneer ze een website gebruiken die bedoeld is voor een desktop computer. Voorwaarden daarvoor zijn wel dat de gezochte informatie niet uitsluitend op de niet-mobiele ('volledige') website beschikbaar is, dat de app of mobiele website goed is vormgegeven, en dat iemand niet de volledige website als zijn broekzak kent en daarom toch daaraan, ook op het kleine scherm van 'n telefoon, de voorkeur geeft.

Om te bepalen of het zinvol is om 'mobiel te gaan', zijn vier overwegingen van belang: budget, verkeer, gebruik en content. Als er geld is voor het (laten) maken en onderhouden van een app of mobiele website, 7 tot 10% van de bezoekers van een volledige website daar via een mobiel apparaat komt, die website gebruikt wordt om de tijd te doden of om kleine transacties te verrichten, en de inhoud van de website regelmatig verandert of informatie is die mensen nodig hebben als ze niet in de buurt van een desktop computer zijn, is een mobiel platform volgens NN/g een goed idee.

Maar welk platform? Een app of een mobiele site? Wordt vervolgd...

Verwante post:
(Mobile) user experience

maandag 7 mei 2012

(Mobile) user experience

"Good mobile user experience requires a different design than what's needed to satisfy desktop users. Two designs, two sites, and cross-linking to make it all work." Aldus usability-expert Jakob Nielsen over de verhouding tussen mobiele en 'volledige' websites, op 10 april van dit jaar in zijn tweewekelijkse column.

Een storm van kritiek — op Twitter komt de term Jakobrage voorbij — volgt. "Stripping out content from a mobile website is like a book author stripping out chapters from a paperback just because it's smaller. We use our phones for everything now; there's no such thing as 'this is mobile content, and this is not'", schrijft ontwerper en ontwikkelaar Josh Clark.

Web ontwikkelaar Bruce Lawson doet ook een duit in het zakje: "[I]s the mobile device so fundamentally different that you should make different websites for it, or is there only one Web that we access using a variety of different devices? (...) I disagree (mostly) with the idea that people need different content because they’re using different types of devices."

"The reason many 'full websites' are unusable on mobile phones is because many full websites are unusable on any device", legt Lawson de vinger op de zere plek. "[W]ebsite owners have long proved incontinent in keeping desktop websites focussed, simply because they have so much room. (...) If your normal site isn't minimal, functional, with everything designed to help the user complete a task, it's time to rethink your whole site. And once you've done that, serve it to everyone, whatever the device."

Het lezen van deze en andere stukken van mensen die het op punten hartgrondig en beargumenteerd met Nielsen oneens zijn, is mijn voorbereiding op twee dagen ondergedompeld worden in Nielsens usability-evangelie door een User Experience Specialist van de Nielsen Norman Group. Ik ga proberen te bloggen wat ik op 23 en 24 april heb opgestoken. Alleen nog een fatsoenlijke vertaling van mobile user experience zien te vinden — 'mobiele gebruikerservaring' klinkt toch een beetje alsof ik het ga hebben over de belevenissen van rondwandelende heroïnespuiters...

donderdag 3 mei 2012

Geslachtsziekte

Drie maanden geleden blogde ik voor het eerst over mijn stamboomwebsite. Inmiddels is de 500ste pagina uit mijn toetsenbord gerold en staat van zo'n 160 mensen met de achternaam Van Selm een levensloop online. Ik heb er nog geen archiefinstelling voor van binnen gezien, want aan een internetverbinding heb ik genoeg om geboorten, dienstplicht, huwelijken en overlijden in de 19de en eerste decennia van de 20ste eeuw in beeld te krijgen: via Genlias kan ik op naam te zoeken in grote delen van de Nederlandse Burgerlijke Stand, op FamilySearch zijn scans van de bijbehorende akten te vinden en op Militieregisters.nl komen langzaam maar zeker de gescande inschrijvingsregisters van de Nationale Militie online.

Maar ik zou geen echte historicus zijn als ik niet méér wilde. Daarom begint het zo langzamerhand tijd te worden om mijn onderzoek van internet naar archiefinstellingen te verplaatsen. Ik wil verder terug in de tijd, om aan de hand van kerkelijke doop-, trouw- en begraafregisters — dé bronnen over personen vóór de invoering van de Burgerlijke Stand in 1811 — te achterhalen of de verschillende 'plukken' Van Selmen in Nederland afstammen van een gezamenlijke voorvader. En komt die ene voorvader uit Duitsland? Of uit de Achterhoek?

Voor de 19de eeuw wil ik de Burgerlijke Stand en Militieregisters voorbij: er staat een flinke duik in de archieven van successiekantoren, het kadaster, notarissen en rechtbanken op het programma. Aan de hand van overlijdensdata kan ik nagaan of er een memorie van successie is opgemaakt, een overzicht van bezittingen en schulden van een overledene dat door een belastingambtenaar werd opgesteld om te bepalen hoeveel successierechten er betaald moesten worden. Om de rekensommen gaat 't me niet, wel om de namen van de erfgenamen en hun relatie tot de overledene, en om het eventueel vermelde onroerend goed.

Dat onroerend goed kan ik nazoeken in het kadaster. Sowieso heb ik voor onderzoek in het kadaster al een 'verlanglijstje': de adressen die ik tegenkwam in geboorte- en overlijdensakten. De resultaten van al dat zoekwerk gaan ongetwijfeld aanknopingspunten bieden voor leuke knutselwerkjes met Google Maps, maar zo ver ben ik nog lang niet: eerst maar eens de weg zien te vinden in aanwijzende tafels, leggers, registers, naamlijsten en kaarten. Huizen vol historie, een gids voor huizenonderzoek in de provincie Utrecht, ligt inmiddels op mijn virtuele nachtkastje.

Het erven, kopen en verkopen van (on)roerend goed laat nog een paper trail achter, in notariële archieven: testamenten, akten van boedelscheiding, akten van verkoop en hypotheekakten. Over overlijden gesproken: als iemand bij zijn of haar overlijden minderjarige kinderen naliet, moest een toeziend voogd worden aangesteld. Als ook de tweede ouder overleed, diende bovendien een voogd te worden benoemd. Deze benoemingen werden in de periode 1811-1838 gedaan door vrederechters, daarna door kantonrechters — enter de rechtbankarchieven en mijn lijstje van (half)wezen dat ik op basis van Burgerlijke Standgegevens al heb opgesteld.

De lastigste klus wordt waarschijnlijk het opsporen van notariële akten van plaatsvervanging. Als een jongeman werd ingeloot voor de Nationale Militie maar de dienstplicht wilde laten vervullen door een plaatsvervanger, moest daarvoor een contract in de vorm van een notariële akte worden opgesteld. Hoe ik deze akten op het spoor moet komen zonder te weten welke notaris de akte opstelde, is me nog niet helemaal duidelijk. Ik weet vaak niet méér dan de woonplaats van de loteling in kwestie en dat hoeft niet de standplaats van de betrokken notaris te zijn.

Eén ding is wel duidelijk: ik ga nog heel wat uren doorbrengen in het Regionaal Historisch Centrum Vecht en Venen in Breukelen, het Regionaal Historisch Centrum Zuidoost Utrecht in Wijk bij Duurstede en Het Utrechts Archief in Utrecht. En volgend jaar op familiebezoek in Zuid-Afrika?

zondag 29 april 2012

Webtoolworkshops

Het begint als een plannetje voor een aantal workshops van een uur, naar het voorbeeld van de Amerikaanse brown bag seminars: informele (trainings)bijeenkomsten tijdens de lunchpauze. Bij de Universiteitsbibliotheek in een uurtje basiskennis opdoen over RSS en Google Alerts, Delicious, Google Docs, SlideShare, LinkedIn of Twitter. Zes workshops rondom steeds dezelfde drie vragen: wat is het, waar dient het voor en hoe werkt het?

Via de wandelgangen hoort collega Esther ten Dolle van mijn plannetje. Ze nodigt me uit om de door haar gereserveerde computerzaal te gebruiken op dagen waarop zij geen cursus geeft. Omdat de zaal voor steeds twee uur beschikbaar is, pas ik mijn plannetje aan: het worden drie workshops van twee uur, één per week, drie weken achter elkaar, in oktober 2011. LinkedIn en Twitter belanden op de reservebank, eerst maar eens uitproberen of er belangstelling is voor de 'productiviteitstools': RSS & Google Alerts, Delicious, en Google Docs & Slideshare, bijeen gebracht onder de slogan Get organised!

Belangstelling blijkt er te zijn: bij bibliotheekcollega's, maar ook bij medewerkers van faculteiten en andere universiteitsdiensten. In hun evaluaties zijn de 'proefkonijnen' vrijwel unaniem enthousiast. Daarom starten we in februari van dit jaar een tweede serie: de workshops uit oktober gaan in de herhaling, LinkedIn en Twitter komen van de reservebank. Het 'docentencorps' groeit van één naar drie: Esther neemt de workshop RSS & Google Alerts van me over, Alice Doek de workshop Google Docs & Slideshare. Omdat nu niet meer uitsluitend productiviteitstools voorbij komen, wordt UBA Webtool Workshops de vlag om de lading te dekken.

Voor elke workshop maak ik een PowerPointpresentatie (*): voor mij een leidraad tijdens het geven van de workshop, voor de deelnemers — ik zet na een workshop de pdf online — een geheugensteuntje na afloop. Na een korte uitleg van het nut van een applicatie doen we een 'knoppenrondje': welke instelling zit waar, met welke knop kan ik wat? De deelnemers klikken mee en passen die kennis direct toe in de oefeningen, een stuk of vijf per workshop. Een workshop eindigt met een paar extra's: tips en links uit de categorie nice to know, als toetje op het need to know van de rest van de workshop. Voorkennis is niet vereist, hoogstens vraag ik de deelnemers om van tevoren een account aan te maken.

De workshops blijken over drie drempels heen te helpen: tijdgebrek, twijfel aan eigen computerkunnen, en aarzelingen over de openbaarheid van internet. Door hun aanmelding voor de workshop hebben de deelnemers twee uur in hun agenda doorgestreept waarin geen andere dingen hun aandacht opeisen. Ze hoeven bovendien niet op eigen houtje aan de slag. De workshop wordt gegeven door iemand die de applicatie zelf gebruikt, weet wie wanneer wat kan zien bij welke instellingen, advies kan geven dat in de gemiddelde handleiding niet voorkomt, bereid is mee te kijken als iets niet lukt, en ook na de workshop als vraagbaak beschikbaar blijft.

Of er na de zomer een nieuwe reeks komt, is inmiddels geen vraag meer. We hebben alleen nog 'n paar knopen over de inhoud door te hakken: houden we het bij de vijf workshops die we hebben of breiden we ons assortiment uit met — bijvoorbeeld — Prezi, Facebook of bloggen? En houden we het bij bijeenkomsten voor beginners of bedenken we ook workshops voor gevorderden? Hoe dan ook: ik heb er nu al zin in :-)

(*) Zie voor de PowerPointpresentaties mijn SlideSharepagina: RSS & Google Alerts / Delicious / Google Docs & SlideShare / Twitter / LinkedIn

maandag 20 februari 2012

Van prutsen naar prikken

Vorige week zocht ik de link naar een afbeelding die ik een week daarvóór ergens online gezien had. Het plaatje had ik opgeslagen, maar in mijn blogpost wilde ik ernaar linken. Het adres van de bijbehorende website had ik niet opgeslagen in Delicious, omdat ik nog niet wist dat ik die link nodig ging hebben. Komt die situatie je bekend voor? Dan heb ik goed nieuws: de dagen van zoeken naar waar die ene afbeelding ook alweer vandaan komt, zijn over.

In het vervolg prik je zo'n plaatje namelijk op je eigen virtuele prikbord: Pinterest. De werking is uiterst eenvoudig: je opent een gratis account bij Pinterest, plakt een Pin-it-knop op de werkbalk van je browser, en maakt één of meer virtuele prikborden aan. Als je vervolgens op een website komt waar een afbeelding staat die je wilt bewaren, prik je deze afbeelding met één druk op de knop op één van je prikborden, eventueel voorzien van je eigen commentaar. De link naar de vindplaats zet Pinterest er automatisch bij.

De vergelijking met Delicious ligt voor de hand: in Delicious sla je links op, in Pinterest (links naar) afbeeldingen. Zoals je binnen Delicious links van anderen op je eigen pagina kunt opslaan, kun je op Pinterest pins van anderen 'repinnen': afbeeldingen die 'n ander op zijn Pinterestprikbord heeft gezet aan je eigen prikbord toevoegen. Je kunt pins van anderen 'liken' - je bewaart ze dan in een aparte like-sectie van je Pinterestprofiel, niet op één van je eigen prikborden - en van een comment voorzien, à la Facebook. Je kunt eigen afbeeldingen uploaden naar Pinterest, à la Flickr. En je kunt (specifieke prikborden van) andere pinners volgen, à la Twitter.

Natuurlijk heb ik Pinterest direct ingezet voor mijn stamboomonderzoek: op 'n prikbord Genealogy prik ik mooie grafische weergaven van stambomen, op mijn prikbord Vinkeveen 'hangen' foto's van m'n geboortedorp. En in het kader van een geplande reorganisatie van mijn huisbibliotheek ben ik begonnen aan het verzamelen van plaatjes van originele boekenplanken. Mijn bibliotheek zelf zal ik niet op Pinterest zetten, want die staat al op LibraryThing - maar misschien kunnen we bij de UB iets met Pinterest? Ideeën en mogelijkheden genoeg...

Toevoeging 22-02-2012: lees ook mijn digitale gesprek met Raymond Snijders over de auteursrechtelijke keerzijde van Pinterest.

Pinterest is momenteel invite only - ik stuur je 'n uitnodiging als je me laat weten op welk e-mailadres je die ontvangen wilt.

zaterdag 11 februari 2012

Prutsen met Prezi

Het prijst zichzelf aan als "The Zooming Presentation Editor" waarmee je een presentatie kunt omtoveren in, jawel, een "cinematic journey": Prezi. Wat ik er zijdelings van meekreeg, gaf me vooral de indruk dat je er even misselijk van kunt worden als van een ritje in een achtbaan - en een fan van achtbanen ben ik niet bepaald. Bovendien had ik geen concrete aanleiding om Prezi nu eens echt te gaan uitproberen. Tot ik aan mijn stamboomsite begon.

Vorige week schreef ik al dat ik worstel met de structuur van mijn stamboomsite. Twee hoofdpagina's (de oudste generatie) met daaronder zeven subpagina's (de kinderen) met onder vier van die zeven subpagina's twee tot twaalf subsubpagina's (de kleinkinderen) met onder die vijfentwintig pagina's weer honderdtwaalf pagina's van achterkleinkinderen met daaronder weer... en uiteindelijk bovenaan de pagina's van de jongste generatie een kruimelpad van een halve pagina. Niet echt een optie. Maar de lijst van pagina's (persoonsnamen) die nu op mijn website staat, geeft niet in één oogopslag een indruk van de stamboom als geheel.

Met Aldfaer, het stamboomprogramma dat ik gebruik om gevonden gegevens in op te slaan, kan ik rapporten uitdraaien. Daaronder zijn ook grafische rapporten, die de personen uit de database in een boomstructuur weergeven. Zo'n rapport past prima op een A4'tje - als je het tenminste niet nodig vindt om de namen te kunnen lezen... Om zo'n boomstructuur in leesbare vorm te kunnen laten zien, heb ik dus iets groters nodig dan een Google Doc. Enter Prezi, met z'n onbeperkte canvas en z'n zoommogelijkheden.

In de veronderstelling dat ik vast en zeker niet de eerste ben die 'n stamboom met Prezi wil combineren, ga ik op de website van Prezi op zoek naar voorbeelden. En inderdaad, ik sta niet op het punt het buskruit opnieuw uit te vinden. Wereldwijd blijken schoolkinderen hun eerste Prezi te maken aan de hand van de opdracht 'maak een Prezi van je stamboom'. Maar dat resulteert niet echt in de ehm... inspirerende Prezi's waarop ik hoopte.

Via een image search met Google kom ik wel bij leuke dingen terecht. Een fan chart of iets dat daarop lijkt, is echter alleen bruikbaar voor een kwartierstaat: één of twee personen met hun voorgeslacht. Daarbij is de uitwaaiering gelijkmatig: je begint met twee personen, de vorige generatie omvat vier personen, die daarvoor acht, et cetera. Ik zoek ideeën voor de grafische weergave van het omgekeerde: twee personen en hun nageslacht. Het verloop van zo'n parenteel is ongelijkmatig: de ene nakomeling blijft ongehuwd en kinderloos, een ander trouwt drie keer en verwekt achttien kinderen, om twee uitersten van het spectrum te noemen.

Uiteindelijk besluit ik maar gewoon te beginnen en te zien waar ik uitkom. Mijn eerste poging levert op wat ik ermee wil bereiken: een heldere weergave van een generatie of drie van mijn voorgeslacht op een formaat dat groter is dan een A4'tje of een monitor, maar toch - en zonder zeeziekte - tot in detail te bekijken doordat de kijker zelf op delen van de tekening kan inzoomen. Maar zo'n 'doe-het-zelf-zoom-tekening' is eigenlijk geen echte Prezi...

De avond erna pruts ik verder, met een kopie van het eindresultaat van mijn eerste poging als basis. Ik begin de principes van het groeperen (in een frame plaatsen) van informatie, het draaien van het canvas en het uitzetten van een path - precies, die "cinematic journey" - aardig door te krijgen. Hoera, versie twee begint een echte Prezi te worden!

Maar als ik met de ogen van een niet-stamboomonderzoeker naar mijn beide probeersels kijk, is het eerste eigenlijk veel geschikter voor mijn doel dan het tweede. Zonder toelichting is het doel van het gedraai en gezoom in mijn tweede Prezi volmaakt onduidelijk. Het lijkt erop dat hoe Prezi-er mijn knutselwerk wordt, hoe minder geschikt het is voor mijn website. Grmbl. Nou ja, ik heb in elk geval eindelijk Prezi 'ns uitgeprobeerd...

zaterdag 4 februari 2012

Googelen met een website

DonkereindIn de kerstvakantie ben ik aan een nieuwe website begonnen. Nee, ik maak me geen illusies: in het beginstadium zal-ie niet blijven, maar af komt-ie ook niet - een website is nooit 'klaar'. Bovendien is het een website met resultaten van mijn stamboomonderzoek, en 'n stamboom kun je - als je niet al te kieskeurig bent in hoofd- en zijtakken - aardig oneindig uitpluizen.

Bij gebrek aan een eigen webserver en omdat ik in vakantietijd weinig puf had mijn HTML-kennis grondig af te stoffen, besloot ik 't eenvoudig te houden en de gelegenheid aan te grijpen om eens met Google Sites te experimenteren. En ik moet zeggen: daar word ik niet eens ál te ongelukkig van. Het maken van een nieuwe site kan niet eenvoudiger: je logt in op Google Sites met je Google Account, drukt op de 'Create site'-knop, volgt de aanwijzingen op je scherm, en je site is klaar om gevuld te worden. Ook bij het maken en wijzigen van pagina's kan een kind de was doen.

Vanwege mijn stamboomthema hoef ik niet bepaald diep na te denken over wat er op een pagina moet komen te staan: het is eenvoudigweg de bedoeling dat in principe elke persoon uit mijn stamboom een eigen pagina krijgt. Biografisch woordenboek, wiki, zoiets. De gegevens die ik voor het vullen van zo'n pagina nodig heb, heb ik het afgelopen jaar al opgeslagen in Aldfaer: namen, plaatsen, jaartallen, familierelaties.

In Aldfaer blijven het echter vaak 'droge gegevens'. Ok, als twee kinderen van één ouderpaar op dezelfde dag geboren worden, schiet me nog wel "tweeling" door mijn hoofd. En 't valt me ook nog wel op als de overlijdensdatum van een moeder kort op de geboortedatum van haar jongste kind volgt ("complicaties bij de bevalling"). Maar het blijven toch vooral in feitjes uitgedrukte levens, het worden geen levensverhalen. Die verhalen kan ik, aan de hand van de feiten, wel schrijven op een website.

Onderaan elke persoonspagina staan de bronnen waarin ik de bouwstenen voor mijn verhalen gevonden heb. Genlias komt daarin regelmatig voorbij, maar vaker nog FamilySearch. Genlias biedt feiten: datum, plaats en de namen van kinderen, huwelijkspartners of overledenen en hun ouders. In de scans van de akten op FamilySearch ontdek ik wie de aangevers en getuigen waren, wie niet en wie wel kon schrijven (en dus de akte ondertekenen), op welk adres iemand geboren werd of overleed, wanneer en hoe een aanstaande echtgenoot zijn dienstplicht heeft vervuld, en andere bijzonderheden.

Niet alle (scans van) akten zijn even goed leesbaar. Om niet elke keer dat ik een akte raadpleeg het wiel en het buskruit opnieuw te hoeven uitvinden, maak ik van elke akte een transcript. Die transcripten zet ik ook op mijn site. Dat kan op verschillende manieren. De meest voor de hand liggende is om ze als websitepagina's op te nemen, maar als het aantal pagina's gaat groeien, loop ik vroeg of laat tegen de maximum omvang van een Google Site (100 MB) aan. Een tweede mogelijkheid is ze als bijlagen bij 'n pagina uploaden naar Google Sites, maar daarvoor geldt hetzelfde bezwaar. Een derde optie is ze online zetten in Dropbox of Box en ernaar linken vanaf mijn Google Site, maar dat is weer een aanslag op mijn gratis opslagruimte bij Dropbox of Box.

Daarom kies ik voor een vierde manier: ik maak mijn transcript in Google Docs en embed het Google Doc in mijn site. Documenten die je in Google Docs maakt, tellen namelijk niet mee voor de 1 Gigabyte gratis opslagruimte die je bij Google Docs hebt. En embedded documenten, zoals Google Docs, tellen niet mee voor de maximum omvang die 'n Google Site mag hebben. Bijkomend voordeel: als ik in een transcript een typefout ontdek, hoef ik die alleen in het Google Doc te corrigeren, want op mijn site verschijnt automatisch de nieuwste versie van het Google Doc.

Een ander probleem heb ik nog niet echt opgelost: hoe houd ik het personengedeelte van mijn site overzichtelijk? Een platte navigatie, zoals bij een wiki, levert op termijn een wel erg lange lijst pagina's op. Een rangschikking in familieverband gaat zorgen voor een navigatie van zeven of meer niveaus diep, ook niet het toppunt van overzichtelijkheid. En bovendien: hang ik de pagina's van kinderen dan onder die van hun vader of onder die van hun moeder? En waar laat ik echtgenotes? Noem me eigenwijs, maar ik weiger om vrouwen onder hun man te hangen... iemand 'n beter idee?

vrijdag 27 januari 2012

Biebblogsalon

Wat is dat eigenlijk: bibliotheekbloggen? Op 27 januari 2012 gaven drie bloggers aan medewerkers van de bibliotheken van de Universiteit van Amsterdam (UvA) en de Hogeschool van Amsterdam (HvA) hun visie op het fenomeen, vertelden zij over hun eigen blog en las er één voor uit eigen werk. Ondertussen zorgde ik op Twitter voor de notulen... hieronder de tweets, voor het leesgemak van niet-Twitterati heb ik de oudste tweet bovenaan en de jongste onderaan gezet.

donderdag 17 november 2011

De UBA op Facebook

Vandaag vindt in Ede het jaarcongres van de Nederlandse Vereniging voor Beroepsbeoefenaren in de bibliotheek-, informatie- en kennissector (NVB) plaats. Vanmiddag mag ik daar, samen met collega Joris Osterhaus, een presentatie geven over de Facebook-app die we voor de bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam (UBA) gemaakt hebben.


Het congres is via Twitter te volgen met behulp van de hashtag #nvb11. Onze presentatie is onderdeel van de track van Bibliotheek2.0 en heeft een eigen hashtag: #hap7.

woensdag 2 november 2011

Educause: mobiel leren

Lee Rainie at Educause 2011, Final SlideBracht ik gisteren verslag uit van wat mij opviel tijdens de sessie van ECAR op woensdag 19 oktober, de dag erna bezocht ik opnieuw - nu samen met Robin - een sessie vol staafdiagrammen en percentages. Lee Rainie van het Pew Research Center's Internet & American Life Project had de lachers op zijn hand door zijn presentatie te beginnen met een anti-executive summary, vijf vragen die hij niet kon beantwoorden. Maar hij dacht ook, op basis van het onderzoek dat Pew doet, een aantal dingen wel te weten. Ik probeer ze samen te vatten, de video van de hele lezing is online te zien en de presentatie staat op Slideshare.

Sinds 2000 hebben zich drie digitale revoluties voorgedaan, die de manier waarop we leren (drastisch) veranderen. De eerste is de groei van (breedband)internet en internettoegang. De gevolgen daarvan zullen niemand vreemd voorkomen: de hoeveelheid beschikbare informatie is enorm gegroeid, informatie bereikt ons veel sneller dan voorheen, en we filteren informatie op relevantie "to make sure we get the Daily Me" in plaats van ons te laten overspoelen met wat anderen vinden dat wij zouden moeten weten.

De tweede revolutie is de groei van online sociale netwerken, in alle leeftijdsgroepen. We volgen de oude, formele nieuwskanalen minder omdat we ervan uitgaan dat nieuws dat voor ons belangrijk is, ons via onze sociale netwerken wel zal bereiken. We doen een beroep op mensen uit onze sociale netwerken om nieuwe dingen te beoordelen op waarheid en waarde. Bovendien vormen sociale netwerken een podium of platform waarop we ons kunnen profileren. Sociale netwerken fungeren dus, kort samengevat, als sentries, evaluators en audience.

De derde revolutie is de toename van het aantal mobiele abonnementen en apparaten, vooral telefoons en laptops. Een gevolg van de opkomst van de smartphone (en tablet) is de opkomst van apps - hoewel het hebben van apps op een telefoon nog niet betekent dat mensen ze gebruiken. Apps die specifieke informatie van specifieke leveranciers bieden, kunnen ons verleiden een app te gebruiken, maar als we ons breed willen oriënteren, zullen we aan internet de voorkeur geven. Informatie-updates en communicatie (bijv. via sociale netwerken) vinden we de belangrijkste functies van apps, spelletjes zijn - met nieuws/weer, plattegronden en sociale netwerken - het populairst.

De mobiele revolutie zorgt er onder meer voor dat we op nieuwe plekken toegang hebben tot informatie, informatie real-time kunnen delen en vervelende situaties - slecht weer, files, een slechte film - kunnen vermijden, informatie kunnen opzoeken op het moment dat we die nodig hebben, en ons altijd bewust zijn van onze sociale netwerken. Dat we altijd overal toegang tot informatie hebben, maakt onthouden minder belangrijk. In plaats daarvan worden erg goed snel kunnen zoeken, erg goed snel kunnen samenvatten en samenvoegen, en kritisch denken belangrijke vaardigheden voor succes.

De combinatie van sociale netwerken en mobiele apparaten zorgt ervoor dat we op een andere manier met informatie omgaan, onze aandacht op een andere manier verdelen: we're dipping in and out of the streams of information. Tegelijk is het mogelijk geworden om diep in onderwerpen te duiken, er snel allerlei informatie over bij elkaar te halen, en 'amateur expert' te worden.

Waar dat toe leidt? Aan het toelichten van wat mij betreft de interessantste slide kwam Rainie door tijdnood niet toe, ik laat de tekst ervan daarom zonder commentaar volgen:
"New kinds of learners are emerging in the digital environment: more self directed, less top-down; better arrayed to capture new information inputs; more reliant on feedback and response; more inclined to collaboration; more open to cross discipline insights and creating their own 'tagged' taxonomies; more oriented towards people being their own individual nodes of production."
Voorheen was leren een transactie: experts gaven informatie door aan studenten. Kennis was objectief en zeker, intelligentie gebaseerd op individuele capaciteiten. Als gevolg van de opkomst van online sociale netwerken en het gebruik van mobiele apparaten wordt leren meer en meer een proces: mensen geven hun eigen leerproces vorm en nemen actief deel aan de creatie van hun eigen kennis. Kennis is subjectief en voorlopig, intelligentie raakt verbonden met de netwerken (learning communities) waarin mensen opereren.

Oh, en het leidt tot botsingen. Letterlijk. "17% of American adult cell phones owners have bumped into another person or an object because they were distracted by talking or texting on their phones."

dinsdag 1 november 2011

Educause: studenten en informatietechnologie

Het Educause Center for Applied Research (ECAR) doet sinds 2004 jaarlijks onderzoek naar studenten en informatietechnologie, en licht op elke Educause-conferentie de nieuwste resultaten toe. Ik lette tijdens de presentatie op 19 oktober vooral op de bibliotheekcijfers.

Bij applicaties die studenten het meest gebruiken, staat software voor tekstverwerking met 96% op de eerste plaats. Een zeer goede tweede, met 88%, is de website van de bibliotheek van de onderwijsinstelling. Op de voet volgen presentatiesoftware en spreadsheets, e-books komen op de 6de plaats.

Maar... 27% van de 3.000 ondervraagde studenten gelooft niet over voldoende vaardigheden te beschikken om de bibliotheekwebsite succesvol te gebruiken. Weliswaar eindigt de bibliotheek in die statistiek bijna onderaan - alleen tekstverwerking wordt makkelijker gevonden - maar is niet elk van die 27% er één te veel?

Als het gaat om value to academic success wijst een kleine minderheid van de studenten (45%) naar de bibliotheekwebsite. E-books (25%) en web-based citation/bibliography tools (23%) halen nog net de top tien. Maar goed, een schande is het niet om van tekstverwerkingssoftware en e-mail te verliezen, en ze winnen het ruimschoots van sociale netwerken.

De cijfers zijn anders zodra gevraagd wordt naar het gebruik van smartphones voor academic work. Accessing library resources blijft op 24% steken, net onder het bezoeken van sociale netwerksites (28%) en ver onder zaken als muziek luisteren tijdens het studeren (40%) en e-mails aan docenten sturen (66%).

In het onderzoek mochten studenten aangeven welke technologie zij vinden dat docenten vaker zouden moeten gebruiken. Op dit verlanglijstje bezet de bibliotheekwebsite met 20% de zevende plaats, na onder meer e-mail (39%), e-books (31%) en presentatiesoftware (27%). Online citatiesoftware bungelt met 12% onderaan de middenmoot en moet Facebook, blogs en wiki's laten voorgaan.

Als 't gaat om offering library resources vindt 75% van de studenten dat hun instelling het goed tot zeer goed doet - alleen online inschrijving voor colleges en online toegang tot cijfers scoren hoger als studenten wordt gevraagd of hun instelling goed presteert op het punt van basale online diensten.

Uit het onderzoek blijkt nog iets anders:
"There is a strong correlation between the technologies that students value most and the technologies their instructors use — and use effectively — to teach, mentor, and communicate."
Vanuit dat perspectief is de enige van de 11 aanbevelingen waarin de bibliotheek genoemd wordt, geen verrassing meer:
"Nail the basics. Help faculty and administrators excel at supporting students' use of core productivity software and applications for academic use, including, e-mail, word processing, spreadsheets, content or learning management systems, library sites, and bibliography tools."
Wie nieuwsgierig is naar de volledige resultaten van de editie 2011 kan terecht op de ECAR-website. De presentatie is online terug te kijken, de slides zijn als pdf-bestand te downloaden en de cijfers zijn beschikbaar als infographic.

maandag 31 oktober 2011

Educause: de keynotes

EDUCAUSE 2011

Woensdag 19 oktober: Invisible or Remarkable?

Circa vierduizend conferentiedeelnemers om 8.00 uur ’s morgens drie kwartier aan je lippen laten hangen… weinig mensen krijgen dat voor elkaar, maar Seth Godin lukt het. Een kale man met een kekke bril, een MBA van Stanford op zak, ondernemer, voormalig vice-president Direct Marketing bij Yahoo!, nu fulltime schrijver en spreker, en de enige marketing-expert die ook als action figure verkrijgbaar is.

Het is waarschijnlijk het belangrijkste gevolg van de overgang van het industriële naar het digitale tijdperk: toegang tot informatie is niet langer beperkt of schaars. Dat betekent dat bedrijven, instellingen en mensen zichzelf op een andere manier onmisbaar moeten maken: door de kunst van het aangaan van relaties. "Art" is, volgens Godin, "anything that’s creative, passionate and personal." 'Doen wat je gezegd wordt' is uit, 'onvervangbaar zijn' is in. Dat vraagt nieuwe vaardigheden, maar vooral durf: "If failure is not an option, neither is success."

Godin staat garant voor een verhaal dat moeilijk na te vertellen is (maar gelukkig schrijft hij boeken) én voor sappige quotes. "An encyclopaedia you do not use isn't worth anything, no matter how good it is" en "When you get out of Harvard Business School, all they want to know is that you got in" zijn er twee die mijn Twitter-timeline bereikten. Een overzicht van Godins boeken vind je op zijn website. Op zijn weblog publiceert hij dagelijks iets om over na te denken. Van Godins keynote op Educause is helaas geen video beschikbaar, maar wie Godin wil zien en horen, kan terecht bij TED.

Donderdag 20 oktober: Privacy in an Era of Social Media

Donderdag behoorde het podium aan danah boyd, senior onderzoeker bij Microsoft Research en als docent en onderzoeker verbonden aan drie Amerikaanse universiteiten. In haar keynote ontkrachtte zij, op basis van ettelijke jaren etnografisch onderzoek naar sociale media onder Amerikaanse jongeren, het idee dat jongeren niets geven om privacy. Jongeren blijken, juist binnen online sociale netwerken als Facebook, hele eigen strategieën te bedenken en hanteren om hun privacy te waarborgen.

Op de grote schermen in de Grand Ballroom kwamen de jongeren zelf aan het woord: boyd illustreerde haar verhaal met citaten van jongeren die zij tijdens haar onderzoek interviewde. De zaal had even nodig om bij te komen van "Facebook sometimes is kind of like a lonely sport, I feel, because you're kind of sitting there and you're looking at people by yourself. But if someone else knows your password and stuff it just feels better." Bij "Everyone kind of disappears after the mom post" – hoe jongeren aankijken tegen interactie met ouders en docenten op bijv. Facebook – kon men zich meer voorstellen, getuige de lach die door de zaal ging.

Zelf zien en horen? De video van de hele keynote, inclusief slides, staat online (in de 10de minuut betreedt boyd het podium). Meer informatie over boyd en haar onderzoek, inclusief full text publicaties, is te vinden op haar website en haar weblog.

Vrijdag 21 oktober: IT from Both Sides of the Executive Table

Aan het begin van de laatste keynote van de conferentie was een groot deel van de stoelen in de Grand Ballroom onbezet, en het aantal lege stoelen werd tijdens de lezing alleen maar groter. Misschien omdat mensen vóór 12.00 uur moesten uitchecken of de laatste shuttlebus naar hun hotel moesten halen, waarschijnlijk ook omdat de presentatie van Indiana University president Michael McRobbie niet bepaald de boeiendste van de conferentie was. Voor wie het na deze introductie nog aandurft: de video staat online. De bottomline? Universiteiten zijn belangrijk. IT is belangrijk. IT bij universiteiten is het allerbelangrijkst. Of zoiets.

zondag 23 oktober 2011

I'm back... sort of...

IMGP2435Tussen mijn vorige blogpost en deze zitten drie dagen van veel lopen, luisteren en leren. Mijn Evernote herbergt inmiddels de eerste bouwsteentjes voor de verslagen per conferentiedag die ik wil gaan schrijven, vandaag volsta ik met wat thuis komen na 'n kleine week in Philadelphia voor mij betekende:
  • vreemd aankijken tegen de Nederlandstalige reclame op het vliegveld totdat ik me realiseer dat ik op Schiphol ben,

  • Nederlandse hoogbouw nogal laag vinden,

  • tijdens het uitpakken van mijn koffer de stapel 'nog te lezen' schrikbarend zien groeien, of 'Hoe The Filter Bubble gezelschap kreeg van The Cult of the Amateur',

  • in bad in slaap vallen en twee uur later wakker worden in ijskoud water (niet aan te raden),

  • om 19.00 uur de neiging hebben om in de gang te gaan staan om mijn collega's te vragen waar we vanavond gaan eten (eten met Renze, Robin, Léon en Edward is wel een aanrader),

  • mijn netwerk op LinkedIn uitbreiden met leuke mensen, van de reisgenoot die 20 jaar in mijn woonplaats gewoond bleek te hebben tot de reisgenote die na onze landing op Schiphol feilloos de dichtstbijzijnde rookruimte wist te vinden,

  • ontdekken dat ik ook met 'n jetlag nog best aardig Wordfeud,

  • mezelf nog steeds op mijn kop geven omdat ik de kans had een paar woorden met Seth Godin te wisselen maar hem niet durfde aan te spreken,

  • trots op mezelf zijn dat ik in de Apple Store de verleiding weerstond, maar stiekem toch eigenlijk ook een tablet willen,

  • de foto's bekijken die anderen tijdens Educause gemaakt hebben, onder meer die van de Educause-staf,

  • tijdens het uploaden van de laatste eigengemaakte foto's nog 'n keer (en weer met kippenvel) luisteren naar het Wanamaker Grand Organ in Macy's, het op één na grootste pijporgel ter wereld,

  • bij het "thuisbrengen" van foto's ontdekken dat zo ongeveer elke straatsteen in Philadelphia wel 'n eigen Wikipediapagina heeft, en

  • nog wel wat tijd nodig hebben om alle indrukken in blogposts te puzzelen...
Oh, en weet iemand toevallig wat 'mosaicist' in het Nederlands is?

dinsdag 18 oktober 2011

Philadelphia: de eerste dagen

Een bezoek van 'n paar dagen aan een krasse Nederlandse in Salt Lake City vanwege de uitgave van haar oorlogsdagboeken was mijn eerste kennismaking met Amerika. Iets meer dan zeven jaar later ben ik aan de tweede begonnen: deze week ben ik in Philadelphia voor de Educause Conference, een jaarlijkse conferentie over hoger onderwijs en informatietechnologie.
PhiladelphiaReis en verblijf zijn geregeld door SURFfoundation, het reisgezelschap bestaat uit 33 mensen van verschillende Nederlandse instellingen voor hoger onderwijs – een klein drupje in de zee van het totale aantal conferentiegangers, vorig jaar rond de 4.500 mensen. De Universiteit van Amsterdam is met vier mensen – Léon Raijmann, Renze Brandsma, Robin van Schijndel en ik – goed vertegenwoordigd.

De conferentie begint vanmiddag met een openingsreceptie, maar enkele collega's hebben er al één of twee pre-conference seminars op zitten. Voor mij start de conferentie morgenochtend om 8.00 uur met Seth Godin, auteur van één van de boeken in mijn bagage. Daarna is mijn programma gevuld met lezingen en presentaties over bibliotheken, sociale media en informatievaardigheden – tot er om 17.45 uur geen enkele nieuwe indruk meer bij kan.

Mijn indrukken van de afgelopen dagen heb ik voor een deel op foto’s kunnen vastleggen. Bij een eerste wandeling door de stad na onze aankomst zondagmiddag troffen we op de voorgevel van de Apple Store post-its aan die er zijn achtergelaten toen het overlijden van Steve Jobs bekend werd. Op het plein vóór City Hall is op 6 oktober een tentenkamp verrezen, de Occupy-beweging heeft ook Philadelphia bereikt.

De bustour door de stad maandagochtend bracht ons onder meer naar de Comcast Experience, een high-definition LED-scherm van 190 vierkante meter (!) in de lobby van het Comcast Center, en de voetstappen van Rocky bovenaan de trappen van het Philadelphia Museum of Art. Maandagmiddag bezochten we Lancaster County, waar veel Amish wonen. Wat ‘n aardige relativering van het IT-gehalte van deze week had kunnen zijn – de Amish wijzen de meeste technologie, inclusief het gebruik van elektriciteit, radicaal af – werd helaas vooral "Openluchtmuseum meets aapjes kijken."

Maandag aan het einde van de middag hebben Robin en ik te voet een rondje Historic District – inclusief Liberty Bell(etje) en Library Street – gedaan. Vanmorgen waagden we ons aan de stevige tippel van Center City naar University City, de enorme campus van de University of Pennsylvania ten westen van Schuylkill River. Daar zijn we natuurlijk een bibliotheek binnengelopen, hebben we de Starbucks in UPenn Bookstore – een vermomde vestiging van Barnes & Noble – onveilig gemaakt, verbaasden we ons over de quasi-historische architectuur (lees: lelijkheid) van veel campusgebouwen, en checkten we even wat Ben on the Bench nu eigenlijk zit te lezen...

vrijdag 14 oktober 2011

Deze week in mijn timeline

Omdat een goed idee niet origineel hoeft te zijn, waag ik me eens aan 'n Weekoogst of Weekend read: een selectie uit de webpagina's, infographics, presentaties en pdf-bestanden die ik de afgelopen week op Twitter voorbij zag komen en de moeite waard vond om te retweeten.

De meeste wetenschappelijke tijdschriften hebben richtlijnen waaraan artikelen moeten voldoen, maar welk tijdschrift kies je en hoe zorg je ervoor dat je artikel erin komt? The unofficial guide for authors "provides a comprehensive but focused guide to producing scientific information - from research design to publication. It provides practical tips and answers to some of the most frequently asked questions."

Als wetenschapper kun je natuurlijk afwachten of en tot een uitgever je werk onder de aandacht brengt, maar waarom zou je? Een promovendus uit Engeland schreef een stappenplan voor het gebruik van sociale media door onderzoekers met als prikkelende titel What’s the point of edited books?

Aan de University of North Carolina wordt ondertussen onderzocht of en hoe Twitter in de academische wereld wordt gebruikt. De eerste resultaten van het onderzoek op basis van tweets van vijf Amerikaanse en Engelse universiteiten zijn omgezet in een infographic: How Scholars Are Using Twitter.

Via de pagina's op Scoop.it van Martin Weller (Open University), Antonella Esposito (University of London) en Mohsen Saadatmand (University of Helsinki) is overigens nog veel meer webvoer over digital scholarship te vinden.

De aankomende wetenschappers staan centraal in twee lijvige rapporten die deze week verschenen. Het Educause Center for Applied Research (ECAR) publiceerde het jaarlijkse National Study of Undergraduate Students and Information Technology 2011 Report. De 35 pagina's zijn samengevat in een overzichtelijke infographic.

Daarnaast verscheen, onder de titel How College Students Manage Technology While in the Library during Crunch Time (pdf, 72 pagina's) een nieuw Project Information Literacy Research Report van de University of Washington. Zonder infographic, maar met video.

Tot slot nog een intrigerende vraag, door Alexandra Horowitz opgeworpen in The New York Times: Will the E-Book Kill the Footnote? Gelukkig is de noodzaak om van mijn proefschrift een e-book te maken niet zo groot. Voor de liefhebber heb ik nog wel een ouderwets papieren exemplaar, mét alle 1.735 voetnoten ;-)