vrijdag 17 mei 2013

Bibberletters

Logo KNAW
Najaar 2008. Ik werk bij het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV) in Leiden en heb eerder dat jaar samen met een aantal anderen de Week van de Indische Brief georganiseerd: een inzameling van brieven uit Nederlands-Indië rond de presentatie van de documentaire Met ons alles goed. Op het mailadres voor die actie komt een e-mail binnen. De afzender wil graag meer over de inzamelingsactie weten. Twee witregels. Of ik hem die informatie per post wil toesturen, want hij is al in de tachtig en is niet zo handig met computers. Twee witregels. "Misschien kom ik nog eens te weten wat er in de oorlog met mijn broer gebeurd is, die vlieger was in Indië." Twee witregels. Een naam, een postadres.

De gevraagde informatie is snel genoeg gevonden, ik heb nog wat flyers liggen. Maar als ik aan het typen van een begeleidend briefje wil beginnen, blijf ik staren naar die laatste zin. Die staat er als een terloopse opmerking, een à propos dat me wordt meegedeeld zonder dat van mij wordt verwacht dat ik er iets mee doe. De naam van de broer staat er niet bij, geen plaatsnaam, geen verdere aanknopingspunten. Maar... broers hebben in principe dezelfde achternaam. En als deze man niet weet wat er met zijn broer gebeurd is, zou het zomaar kunnen dat deze broer is omgekomen. En dan zou de naam van deze broer in het Slachtofferregister van de Oorlogsgravenstichting (OGS) moeten staan.

'k Gooi mijn browser open, zoek op de website van de OGS het Slachtofferregister op en tik de achternaam van mijnheer in. Als ik de vrouwen, de mannen die in Europa overleden zijn en de mannen bij wie geen luchtmacht-aanduiding staat, schrap, houd ik twee vliegeniers van de Militaire Luchtvaart KNIL over. Ik print beide pagina's uit en doe die bij de flyer in de envelop. In de begeleidende brief beschrijf ik waar en hoe ik deze informatie gevonden heb.

Een paar weken later vind ik in mijn postvak een envelop met daarop in bibberig handschrift mijn naam en het adres van het KITLV. Erin zit een briefje in hetzelfde bibberpootje: op één van de twee printjes heeft meneer de naam van zijn broer herkend. Hij gaat zijn kleinzoon vragen om hem te helpen om via de computer meer te weten te komen.

Maar wacht even... nu ik weet welk van de twee printjes betrekking heeft op de broer van meneer, weet ik ook dat die is omgekomen bij de Japanse verovering van Borneo, want dat staat in het Slachtofferregister. En ik zit, bijna letterlijk, op de grootste bibliotheek met betrekking tot Nederlands-Indië ter wereld. Daarin móet meer informatie te vinden zijn. Ik duik in de catalogus van het KITLV en vind een boek uit 1987 over de operaties van de ML-KNIL in Borneo in 1941-1942.

Niet veel later heb ik het boek in handen. Als ik het chronologisch opgezette boek doorblader naar het hoofdstuk waarin de overlijdensdatum valt die ik in het Slachtofferregister gevonden heb, kom ik tot mijn stomme verbazing bij een paginalange reconstructie van de laatste vliegtocht van de man. Waar hij opsteeg, met welk doel, hoe laat zijn collega-vliegers voor het laatst iets van hem hoorden, waar en waarom hij moet zijn neergestort, en dat zijn toestel nooit is teruggevonden. Ik schrijf een nieuwe brief aan mijnheer waarin ik vertel wat ik gevonden heb en hem aanraad het boek via zijn lokale bibliotheek aan te vragen.

Zo af en toe, bij voorjaarsschoonmaak of najaarsopruimwoede, kom ik 'r weer eens tegen: de kerstkaart die maanden later in mijn postvak lag. Een kaart waarvan er zo op het oog dertien in een dozijn gaan, op de voorkant een foto van een brandende kaars en rode kerstballen. Maar aan de binnenkant een driemaal stevig onderstreept "dank u wel". In bibberletters.

---
Mijn oud-collega's van het KITLV en van het NIOD kunnen je soortgelijke ervaringen vertellen. De Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (KNAW) vindt dat KITLV en NIOD met andere instituten moeten opgaan in een Humanities Centre. Dat de collecties van deze instituten en de mensen die deze collecties door en door kennen wel naar een achterafplek in Amsterdam kunnen verhuizen. Dat de onderzoekers maar in gedigitaliseerde bronnen moeten gaan speuren naar "patronen en wetmatigheden." Als deze plannen doorgaan, zie ik maar één patroon ontstaan: dat mensen voor wie het antwoord op hun vraag naar wat er in de oorlog gebeurd is van levensbelang is, dat antwoord niet meer krijgen. Daarom steun ik het NIOD in zijn verzet tegen deze onzalige plannen.

dinsdag 2 april 2013

Bergbeklimmen

Het Learning and Research Services Team van de Universiteit van Sheffield was de allereerste groep die de RDMRose-training volgde. Op vrijdagmiddag 15 maart praat ik met teamleider Denise Harrison, faculty librarian Helen Moore en liaison librarian Oliver Allchin van Science and Engineering, en research support liaison assistant John Lewis over hun bevindingen.

Om de training in de volle agenda's van de verschillende teamleden te laten passen, werd in overleg met de projectgroep besloten tot een training van acht dagen van vier uur in de periode september-december 2012, zonder tussentijds huiswerk. Dat viel even goed niet mee, maar mijn gesprekspartners zijn blij de training gevolgd te hebben.

Ze hebben de training als praktisch ervaren. Doordat er geen collega's van elders bij waren, konden ze als team brainstormen over de toepasbaarheid van de verschillende onderdelen van de cursus in hun eigen werk. Als gevolg van de training gaan ze nu, als de gelegenheid zich voordoet, met meer zelfvertrouwen een gesprek over onderzoeksdatamanagement aan: ze hebben het gevoel taal en terminologie nu beter te beheersen dan vóór de training.

Volgens mijn gesprekspartners zou de cursus ook voor anderen binnen de bibliotheek nuttig zijn, bijvoorbeeld voor de mensen die zich met metadatering bezighouden en voor repository managers. Misschien zou voor hen de training dan wel enigszins moeten worden aangepast, want er is weinig aandacht voor de technische kant van research data management en data repositories. Van zo'n uitbreiding hoeft de cursus per saldo niet langer te worden, want de reflectie-onderdelen "could have been condensed down."

Mijn tafelgenoten zijn eensgezind over wat het nuttigste onderdeel van de training was: de case studies. Wat hen betreft had het projectteam best één of meer onderzoekers mogen uitnodigen om bij de cursus te zijn. Als ze horen dat de deelnemers uit York en Leeds bij wijze van huiswerk onderzoekers hebben geïnterviewd, reageren ze goedkeurend. Ze vonden hun eigen training door het ontbreken van direct contact met onderzoekers toch enigszins een vacuüm van librarians onder elkaar.

Het team weet nog niet precies wat zijn rol in research data management gaat zijn, het wachten is op de aangekondigde aanstelling van een RDM-coördinator. Er is al wel beleid afgekondigd, maar dat moet nog geïmplementeerd worden, en er is nog geen technische infrastructuur. Mijn gesprekspartners zijn het erover eens dat de bibliotheek een hoofdrol moet spelen in research data management, maar de bibliotheek kan het niet alleen. Ook Computing Services moet een bijdrage leveren. Onderzoekers klagen bijvoorbeeld dat ze te weinig opslagruimte krijgen, dat is een probleem dat moet worden opgelost.

Tijdens het gesprek borrelt echter de inspiratie op, en beginnen de deelnemers op te sommen wat ze eigenlijk al wel zouden kunnen gaan doen:
  • signposting: onderzoekers (via de website) wijzen op best practices, tools en data centers;
  • bekend maken dat via StarPlus - de Sheffieldse naam voor wat bij ons CatalogusPlus heet - datasets te vinden zijn;
  • elementen uit de RDMRose-training verwerken in de reguliere cursussen voor nieuwe post-graduate students, early career researchers en onderzoekers die net aan de Universiteit van Sheffield zijn komen werken.
Ze zijn het eens over wat hun basishouding gaat zijn: we zijn geen politieagenten, we zijn er om het leven van onderzoekers makkelijker te maken. Denise vat de positieve houding van haar team mooi samen als ze zegt: "Research data management is a huge mountain to climb, but we can take small steps."

dinsdag 19 maart 2013

Just tell us what to do

031Donderdagochtend 14 maart, even na negen uur: in een conferentieruimte in de Edward Boyle Library van de Universiteit van Leeds verzamelen zich de deelnemers aan deze editie van de RDMRose-training voor hun laatste cursusdag. Ze werken allemaal bij een bibliotheek van het White Rose University Consortium, het samenwerkingsverband van de universiteiten van Sheffield, York en Leeds.

De liaison librarians uit York en Leeds volgen de training verplicht, uit Sheffield zijn enkele collega's aanwezig die eind vorig jaar niet in de gelegenheid waren om mee te doen. Ook hun managers zijn erbij en doen mee: Heather Thrift, Associate Director van de Universiteitsbibliotheek van Sheffield, Liz Waller, Deputy Director of Information bij de Universiteitsbibliotheek van York, en Brian Clifford, Deputy Librarian en Head of Learning and Research Support in Leeds.

Iedereen zoekt een plekje aan één van de drie grote tafels, waaraan ook iemand uit het projectteam zit. Voor elke deelnemer ligt een map klaar met daarin het nodige papierwerk: op blauw papier het programma van de dag en een overzicht van de twee onderdelen (in de terminologie van het online lesmateriaal: sessions) die aan de orde zullen komen, op wit papier de opdrachten die in groepsverband worden gemaakt, en op geel papier de reflectie-opdrachten die ingevuld weer ingeleverd worden.

Andrew trapt af met een korte samenvatting van de vorige cursusdagen en introduceert de eerste oefening van vandaag: How did they do it? Uit achttien voorbeelden van wat verschillende universiteitsbibliotheken op het gebied van onderzoeksdatamanagement hebben gedaan, mogen de deelnemers kiezen: welke benadering(en) zouden zij in hun eigen bibliotheek kunnen toepassen? Welke activiteiten zouden ze bij wijze van spreken morgen al kunnen ondernemen? Er wordt beleefd door de papieren gebladerd en gelezen, enthousiaste antwoorden blijven uit - men moet duidelijk nog 'n beetje wakker worden ;-) 

Vervolgens komen de onderzoekers aan het woord. Aan elke tafel worden delen van een interview met een onderzoeker beluisterd (online te vinden in sessie 7) en wordt onder leiding van Andrew, Eddy of Jen doorgepraat over wat een liaison librarian voor deze onderzoeker zou kunnen betekenen. Na een half uur wisselen de deelnemers van tafel, zodat iedereen tegen het einde van de ochtend onderzoekers uit drie verschillende vakgebieden - sociologie, oncologie en civil and structural engineering - met elk hun eigen uitdagingen op het gebied van onderzoeksdatamanagement heeft gehoord.

Om de deelnemers een handje te helpen bij de opdracht Design a job specification for the perfect person to meet the needs in your institution krijgen ze een lijst met functies, opleidingen, vaardigheden en kwaliteiten die Jen heeft samengesteld op basis van vacatures die zij in kranten en op vacaturesites is tegengekomen en die direct of indirect met onderzoeksdatamanagement te maken hebben. Met deze opdracht kunnen, niet geheel verrassend, de aanwezige managers beter uit de voeten dan de andere deelnemers.

Als iedereen het eerste gele formulier van de dag (online als Activity 7.2) heeft ingevuld en ingeleverd - de projectgroep gebruikt de uitkomsten van deze reflectie-opdrachten om de cursus nog beter af te stemmen op liaision librarians - is het tijd voor lunch en een frisse neus. Een conferentieruimte zonder ramen is geen omgeving waarin iedereen het een hele dag volhoudt.

De case study over de fictieve Universiteit van Poppleton - in Engeland een begrip dankzij de satirische columns in Times Higher Education - waarmee de deelnemers 's middags aan de slag gaan, lijkt beter te landen dan de case studies met echte onderzoekers die 's ochtends centraal stonden. Misschien is praten over een fictieve universiteit veiliger dan praten over onderzoek dat aan de eigen universiteit verricht wordt? Of werken groepjes van 2 tot 3 mensen beter dan groepen van 8 tot 10 mensen?

Het laatste onderdeel van de dag is opnieuw reflectie: een instituutsgewijze reflectie op de rol van de bibliotheek in research data management. De groep-Sheffield is positief, maar bestaat dan ook vrijwel geheel uit projectgroepleden. De gesprekken in de groep-York en de groep-Leeds lijken geleid (en dus: gaande gehouden) te worden door de respectievelijke managers. Het is een lange dag geweest, niet iedereen heeft (nog) de puf voor discussie. De evaluatieformulieren over de RDMRose-training als geheel worden desalniettemin nog braaf ingevuld en ingeleverd.

De groep is eigenlijk te groot om een goed gesprek over research data management te kunnen voeren. Bovendien kan ik me voorstellen dat de aanwezigheid van managers niet als steuntje in de rug geïnterpreteerd wordt, maar ervoor zorgt dat mensen aarzelen om hun vragen te stellen of hun mening te geven. Dat de training verplicht is, maakt het een uitdaging om de deelnemers er echt bij te betrekken en enthousiast te maken.

Eerder op de dag gaf één van de deelnemers me haar tamelijk ongezouten mening: "We don't know what our role is going to be, management doesn't tell us, so this course is a waste of time. Just tell us what we have to do." Eddy en Andrew zijn er niet door uit het veld geslagen. Omdat (de ondersteuning van) onderzoeksdatamanagement een nieuwe taak voor bibliotheken is, is er nog veel onduidelijk. Niet elke liaison librarian ziet daarin een kans om een nieuwe rol voor zichzelf zélf vorm te geven, maar de RDMRose-training biedt daar wel alle aanknopingspunten voor.

zaterdag 16 maart 2013

RDMRose: werk in uitvoering

003
Andrew stelt me voor aan projectmedewerker Eddy Verbaan, met wie ik bij een kop koffie (en met uitzicht op de Information Commons waar ik op vrijdag een rondleiding zal krijgen) doorpraat over het project. Mijn beste Engels mag daarbij even overboord, want Eddy blijkt Nederlander - Neerlandicus zelfs - en spreekt graag weer eens zijn moerstaal.

Eddy vertelt me wat meer over de praktische kanten van het project. Het omzetten van uitgangspunten en doelen in een eerste versie van het lesmateriaal blijkt in slechts drie maanden gebeurd te zijn, tussen september en december vorig jaar. Het is in acht 'sessies' verdeeld, die elk een halve dag zouden moeten kosten. Elke sessie bestaat uit
  • Notes, een Worddocument met een overzicht van de inhoud van de sessie;
  • per sessie-onderdeel een PowerPointpresentatie met daarin de leerdoelen van dat onderdeel, de lesstof, de opdrachten en een overzicht van resources; en
  • Activity Sheets, Worddocumenten die kunnen worden gebruikt om de opdrachten uit te werken.
Sessie 7 omvat bovendien mp3-bestanden van interviews met onderzoekers uit verschillende disciplines, transcripten van deze interviews en Worddocumenten met informatie over de onderzoeksprojecten van de geïnterviewden. Omdat een cursus over onderzoeksdatamanagement natuurlijk wel het goede voorbeeld moet geven, heeft Eddy veel aandacht besteed aan een consistente benaming van de bestanden waaruit het lesmateriaal bestaat.

Bij de ontwikkeling van sessie 7 en de case study over de fictieve University of Poppleton (sessie 8) realiseerde de projectgroep zich dat aan meer belanghebbenden dan uitsluitend onderzoekers en liaison librarians aandacht moest worden besteed. Research data management gebeurt immers niet op een onderzoeksgroepeilandje waar af en toe een informatiespecialist naartoe roeit. Onderzoeksfinancier, universitaire ICT-dienst, zelfs P&O kan stakeholder zijn. Dit besef betekende dat het al ontwikkelde materiaal, bijvoorbeeld sessie 2 over the social organisation of research, moest worden aangepast.

Sowieso is het lesmateriaal werk in uitvoering: de feedback van de cursisten uit Sheffield, York en Leeds wordt in het lesmateriaal verwerkt, evenals de uitkomsten van de enquête die gebruikers van het online lesmateriaal invullen. Ik lever een kleine bijdrage door Eddy de aantekeningen te geven die ik heb gemaakt tijdens het doornemen van het lesmateriaal: een typefout, een dode link, en enkele opmerkingen over dingen die mij niet helemaal duidelijk zijn.

Eén van de vragen die ik heb opgeschreven, is waarom bij één of twee opdrachten een modelantwoord wordt gegeven en bij de andere opdrachten niet. Eddy hoort de vraag niet voor het eerst. Ook anderen die het online materiaal op eigen houtje doorwerkten, gaven aan dat ze uitwerkingen van de opdrachten misten. Deelnemers aan de taught courses hebben er geen behoefte aan, waarschijnlijk omdat de opdrachten tijdens een cursusdag plenair worden nabesproken.

Door de gesprekken met Andrew en Eddy ben ik na één dag al aardig wat wijzer over wat er komt kijken bij het ontwikkelen van een onderzoeksdatamanagementtraining voor informatiespecialisten. Als ik vertel dat ik voor mijn collega's een eigen training wil ontwikkelen omdat de vier volle dagen (ongerekend huiswerk) van Data Intelligence 4 Librarians mij een te grote aanslag op hun tijd lijken, reageren zowel Andrew als Eddy met herkenning. Dat vier hele dagen te veel is, hebben zij ook al van hun cursisten uit Leeds en York gehoord. Altijd fijn, bevestiging ;-)

vrijdag 15 maart 2013

RDMRose

036Na een Engels ontbijt zet ik op woensdag 13 maart koers naar de Information School van de Universiteit van Sheffield. Om 10.00 uur heb ik een afspraak met Andrew Cox, Director of Learning and Teaching van de Information School en projectleider van RDMRose. Hij ontvangt me allervriendelijkst en begint, zodra ik zit, te vertellen over de uitgangspunten van het project.

Doel van RDMRose is het ontwikkelen van lesmateriaal over onderzoeksdatamanagement voor informatieprofessionals. Uitdaging daarbij is om dit materiaal zo in elkaar te zetten dat het bruikbaar is voor elke liaison librarian, ongeacht werkomgeving, vakgebied of takenpakket. Daarom is in de training veel plaats ingeruimd voor strategisch denken: reflectie op de rol van de liaison librarian en op de rol van de bibliotheek als geheel in onderzoeksdatamanagement. Deelnemers worden uitgedaagd om niet te wachten op beleid van hogerhand of op de komst van een data repository, maar op zoek te gaan naar wat zij op hun eigen plek vandaag al kunnen doen. "Policy isn't going to solve anything, policy is just twelve points on a piece of paper," aldus Andrew, "we want to work from the bottom up."

RDMRose is geen 'navelstaren voor bibliothecarissen': het tweede belangrijke element van de training is het perspectief van de onderzoeker. Case studies moeten ervoor zorgen dat informatiespecialisten zich (beter) in onderzoekers kunnen verplaatsen. In de training wordt, zeker in vergelijking tot Data Intelligence 4 Librarians, niet zo veel aandacht besteed aan de technische aspecten van onderzoeksdatamanagement. Bestandsformaten, metadata-standaarden, bestandsopslag et cetera kunnen per vakgebied verschillen of op het terrein van anderen dan de liaison librarian liggen. Bovendien weet de projectgroep van dit soort technische zaken zelf minder, bekent Andrew. Hij hoopt dat RDMRose desalniettemin een breder publiek dan uitsluitend liaison librarians zal krijgen.

Het lesmateriaal moet gebruikt kunnen worden in klassikale cursussen, bijvoorbeeld binnen de Information School, maar ook voor self-directed continuing professional development. Dat ik ter voorbereiding op mijn bezoek aan Sheffield braaf alle acht sessies van het online lesmateriaal heb doorgenomen, verrast Andrew. Hij verwacht dat mensen eerder een selectie uit het lesmateriaal zullen maken. Om dat te vergemakkelijken, is op het weblog waar het lesmateriaal staat een self-evaluation tool toegevoegd met de prikkelende titel "Are you RDM ready?" Liaison librarians van de Universiteitsbibliotheek van Sheffield hebben de cursus eind vorig jaar in groepsverband gevolgd, een aantal van hen spreek ik vrijdag. Donderdag maak ik in Leeds de laatste cursusdag van hun collega's uit Leeds en York mee.

maandag 4 maart 2013

Onderzoeksdatamanagementonderzoeksreis

DCC Curation Lifecycle ModelOm een reclameslogan van alweer even geleden te parafraseren: "Zo'n certificaat krijg je niet zomaar, daar moet je wel wat mee doen!" Half januari was ik daarom met enkele collega's van de Bibliotheek van de UvA bij de International Digital Curation Conference (IDCC13) in Amsterdam, waar ik onder meer een workshop Designing Data Management Training Resources bijwoonde. In vervolg daarop ga ik volgende week naar Engeland, om (nog) wijzer te worden over het ontwerpen van trainingen in research data management.

Van 13 tot en met 15 maart ben ik te gast bij de Information School van The University of Sheffield. De i-School voert samen met de universiteitsbibliotheken van Sheffield, Leeds en York het project RDMRose uit. Doel van dit project is het ontwikkelen van lesmateriaal over research data management voor informatieprofessionals. De eerste versie van de online training is in januari van dit jaar gepubliceerd, en op 14 maart woon ik een workshop in Leeds bij om een indruk te krijgen van hoe de 'offline lessen' eruit zien. Daarnaast staat onder meer 'n rondleiding door de hypermoderne Information Commons op het programma.

Op 18 maart ben ik opnieuw bij een workshop, maar dan op de Stratford Campus van de University of East London. Aan UEL loopt tot eind mei het TraD-project, waarbinnen RDM-training voor promovendi ontwikkeld wordt. Daarnaast wordt gewerkt aan supportDM, een training voor informatiespecialisten die gaan meewerken in "a library-led RDM support service." TraD is geïnspireerd door onder meer Data Intelligence 4 Librarians, en wil een aanvulling zijn op RDMRose. Vandaag beginnen de eerste informatiespecialisten-proefkonijnen aan deze training, in de workshop van 18 maart brengen zij verslag uit van hun ervaringen met de eerste module van supportDM en beginnen ze aan de tweede.

RDMRose en TraD worden, met nog eens 25 andere projecten, bekostigd door JISC - kort door de bocht: de Britse evenknie van SURF - in het kader van het Managing Research Data Programme 2011-13. Op 25 en 26 maart komen medewerkers van alle JISCMRD-projecten bij elkaar in Birmingham voor het uitwisselen van ervaringen en voortgangsrapportages. Ik zal daar iets vertellen over onze Amsterdamse RDM-plannen, maar vooral ook weer mijn oor te luisteren leggen om te voorkomen dat wij wiel en buskruit opnieuw uitvinden.

'k Ga de komende weken proberen om 's avonds nog genoeg energie over te hebben om over mijn ervaringen te bloggen: hier op mijn eigen blog in het Nederlands, en/of in het Engels op het kakelverse UvA RDM blog. Mocht dat onverhoopt niet lukken: ga er dan maar van uit dat geen nieuws goed nieuws is en ik na Pasen barstensvol ideeën en inspiratie weer opduik... ;-)

woensdag 19 december 2012

Dat u 't even weet...

Data life cycle, data management (plan), metadata, persistent identifiers, bestandsformaten, conversie, migratie, linked data, verrijkte publicaties, acquisitie: de vierde en laatste dag van de cursus Data Intelligence 4 Librarians zit erop. Nu schijn ik mezelf data librarian te mogen noemen... waarvan akte certificaat ;-)



dinsdag 6 november 2012

Bezigheden buitenshuis: workshop Google


In de presentatie die ik vorig jaar voor de UB-workshop Google Docs & SlideShare maakte, zitten twee slides waar de workshopdeelnemers altijd een beetje om moeten lachen. Op de eerste slide staan plaatjes van een Worddocument, een PowerPointpresentatie en een PDF-bestand, stralend blauw, oranje en rood. Op de volgende slide staan dezelfde plaatjes, maar nu grijs, gerafeld en met een wolkje erop dat stof moet voorstellen.

De begeleidende tekst laat zich raden: "Je kunt je presentaties op je eigen harde schijf laten verstoffen, maar dat is zonde van de tijd en de aandacht die je in het maken ervan gestoken hebt. Als je ze via SlideShare online zet, geef je ze een tweede leven: je laat ze zien aan mensen die niet bij je presentatie waren, en ze kunnen als inspiratie dienen voor anderen die met hetzelfde onderwerp bezig zijn."

Maar er kan nog iets gebeuren: iemand die voor een studiedag op zoek is naar trainers kan al Googelend op jouw SlideShare-pagina belanden, in je SlideShare-profiel ontdekken dat je een weblog hebt, en via het contactformulier op je weblog bij je informeren of je ook wel eens workshops buiten de UvA geeft. En dat kan ertoe leiden dat je twee maanden later aan ruim 20 mensen uit het beroepsonderwijs laat zien hoe zij met behulp van zo'n Google-formulier hun eigen enquête of contactpagina in elkaar kunnen zetten.

En natuurlijk staat die presentatie inmiddels ook weer op... juist ;-)

zaterdag 14 juli 2012

woensdag 13 juni 2012

Mobiel: app of site?

Is that the library in your pocket? (regular screen)Als het antwoord op de vraag Moeten we mobiel? bevestigend is, dient de volgende vraag zich aan: op welke manier? Waarmee? Er zijn vier mogelijkheden: een app, een web app, een mobiele website en responsive web design.

Op een aantal terreinen lijkt de app de mobiele website de baas:
  1. Een app is eenvoudiger toegankelijk dan een mobiele website: 'n klik op een pictogram is voldoende om de app te starten, terwijl voor een mobiele website een adres in een browser moet worden ingevoerd.
  2. Een app kan meer functies van een telefoon gebruiken dan een mobiele website: niet alleen GPS en accelerometer, maar bijvoorbeeld ook de camera (denk aan Instagram) of de contactenlijst (bijvoorbeeld Whatsapp).
  3. Een app kan offline werken, een mobiele website heeft een netwerkverbinding nodig.
  4. Een app is beter te personaliseren dan een mobiele website.
Er zijn ook punten waarop een mobiele website het van een app wint:
  1. (Het adres van) een mobiele website is makkelijker te vinden en eenvoudiger te delen dan een app.
  2. Een mobiele website is toegankelijk vanaf elk mobiel apparaat, ongeacht besturingssysteem, terwijl een app speciaal voor een besturingssysteem moet worden gemaakt.
  3. Een mobiele website is direct toegankelijk en voor gebruikers onderhoudsvrij, terwijl een app gedownload, geïnstalleerd en onderhouden moet worden.
  4. Voor (naar verwachting) eenmalige interactie met een organisatie en voor het zoeken naar informatie nemen gebruikers hun toevlucht tot het web, niet tot apps; een app moet de schijfruimte en de moeite van het installeren waard zijn, mensen installeren een app (pas) als ze verwachten er regelmatig gebruik van te gaan maken en dat gebruik hen iets oplevert.
Is de stand hiermee 4-4 gelijk? Niet helemaal. Het eerste 'winpunt' van apps vind ik bijvoorbeeld niet erg overtuigend. Mensen installeren soms zoveel apps dat ze niet meer weten of ze een bepaalde app al geïnstalleerd hebben, laat staan waar ze die gelaten hebben. Bovendien is het niet overdreven ingewikkeld om een snelkoppeling naar een mobiele website op een tabblad van een mobiele telefoon of tablet te zetten. Een tussenweg is de mobiele web app, simpel gezegd: een als app vermomde mobiele website. Een web app nestelt zich na download en installatie als pictogram op een tabblad van telefoon of tablet, maar haalt z'n inhoud bij het opstarten van de app vanaf een webserver binnen (bijvoorbeeld de apps van Nu.nl).

Ook op het eerste 'winpunt' van mobiele websites valt af te dingen. Zoekmachines zijn (nog) niet ingesteld op mobiele websites. De rangschikking van zoekresultaten vindt plaats op basis van het aantal links naar een site, en dat zal voor een mobiele website lager zijn dan voor een desktop website. Een zoekopdracht via een browser op een mobiele telefoon of tablet zal dus primair desktop websites als resultaat opleveren. Wie vervolgens zo'n desktop website aanklikt, zal niet altijd automatisch naar de mobiele evenknie worden doorgeleid, want aan het maken van automatische redirects van volledige naar mobiele websites kleven ook nogal wat haken en ogen.

De gebruik(er)svriendelijkheidtesters van de Nielsen Norman group (NN/g) adviseren een app als gebruikers één specifieke taak moeten kunnen uitvoeren (bijv. het bestellen van een pizza), zo'n taak herhaald en frequent wordt uitgevoerd (bijv. elke week bestellen bij dezelfde pizzeria), meer telefoonfuncties dan GPS nodig zijn (bijv. de camera om een barcode te scannen), offline gebruik nodig is en/of informatie wordt verschaft die niet vaak verandert en (dus) lokaal opgeslagen kan worden.

Verandert je informatie vaak, wordt de informatie via een webserver geleverd en/of moeten meerdere samenhangende taken ondersteund worden? Dan is volgens NN/g een mobiele website de aangewezen weg. Als je 'm tenminste, vanwege de moeilijkheden met zoekmachines en automatische doorverwijzingen, ook letterlijk aanwijst door op een opvallende plaats op je desktop website een link naar je mobiele site op te nemen.

Als de informatie die je wilt bieden en de taken die je klanten moeten kunnen uitvoeren op je desktop website weinig verschillen van je wensen voor een mobiel platform adviseert NN/g responsive web design, een manier van websitebouw waarbij de rangschikking van paginaelementen automatisch wordt afgestemd op de grootte van het scherm waarop de webpagina bekeken wordt.

Verwante posts:
(Mobile) user experience
Moeten we mobiel?

maandag 14 mei 2012

Moeten we mobiel?

Britain's first mobile libraryOp de eerste dag van de Amsterdamse editie van de Usability Week van de Nielsen Norman Group (NN/g), maandag 23 april, is Usability of Websites and Apps on Mobile Devices het thema. 's Ochtends draait het vooral om de vraag 'Moeten we mobiel, en zo ja, waarmee dan?'

Uit onderzoek van Pew Internet Research - die organisatie kwam al eens eerder voorbij op dit weblog - blijkt dat mensen mobiele apparaten grofweg op twee manieren gebruiken: browsing en searching. Onder browsing valt het 'ongerichte' en 'ongecompliceerde' gebruik van een smartphone of tablet, bijvoorbeeld het lezen van nieuws of het gebruik van sociale netwerken om de tijd te doden in 'n wachtkamer of op 'n perron. Searching is het voorzien in een specifieke informatiebehoefte die vaak wordt ingegeven door locatie of context: zijn er leuke boekwinkels in de buurt? Staat er nog genoeg geld op mijn rekening om dit boek te kopen? Leeft deze auteur nog?

Als mensen op een mobiele telefoon een bepaalde taak uitvoeren, bijvoorbeeld het plaatsen van een bestelling of het opzoeken van bepaalde informatie, slagen ze daarin beter als ze dat met een app of via een mobiele website doen dan wanneer ze een website gebruiken die bedoeld is voor een desktop computer. Voorwaarden daarvoor zijn wel dat de gezochte informatie niet uitsluitend op de niet-mobiele ('volledige') website beschikbaar is, dat de app of mobiele website goed is vormgegeven, en dat iemand niet de volledige website als zijn broekzak kent en daarom toch daaraan, ook op het kleine scherm van 'n telefoon, de voorkeur geeft.

Om te bepalen of het zinvol is om 'mobiel te gaan', zijn vier overwegingen van belang: budget, verkeer, gebruik en content. Als er geld is voor het (laten) maken en onderhouden van een app of mobiele website, 7 tot 10% van de bezoekers van een volledige website daar via een mobiel apparaat komt, die website gebruikt wordt om de tijd te doden of om kleine transacties te verrichten, en de inhoud van de website regelmatig verandert of informatie is die mensen nodig hebben als ze niet in de buurt van een desktop computer zijn, is een mobiel platform volgens NN/g een goed idee.

Maar welk platform? Een app of een mobiele site? Wordt vervolgd...

Verwante post:
(Mobile) user experience

maandag 7 mei 2012

(Mobile) user experience

"Good mobile user experience requires a different design than what's needed to satisfy desktop users. Two designs, two sites, and cross-linking to make it all work." Aldus usability-expert Jakob Nielsen over de verhouding tussen mobiele en 'volledige' websites, op 10 april van dit jaar in zijn tweewekelijkse column.

Een storm van kritiek — op Twitter komt de term Jakobrage voorbij — volgt. "Stripping out content from a mobile website is like a book author stripping out chapters from a paperback just because it's smaller. We use our phones for everything now; there's no such thing as 'this is mobile content, and this is not'", schrijft ontwerper en ontwikkelaar Josh Clark.

Web ontwikkelaar Bruce Lawson doet ook een duit in het zakje: "[I]s the mobile device so fundamentally different that you should make different websites for it, or is there only one Web that we access using a variety of different devices? (...) I disagree (mostly) with the idea that people need different content because they’re using different types of devices."

"The reason many 'full websites' are unusable on mobile phones is because many full websites are unusable on any device", legt Lawson de vinger op de zere plek. "[W]ebsite owners have long proved incontinent in keeping desktop websites focussed, simply because they have so much room. (...) If your normal site isn't minimal, functional, with everything designed to help the user complete a task, it's time to rethink your whole site. And once you've done that, serve it to everyone, whatever the device."

Het lezen van deze en andere stukken van mensen die het op punten hartgrondig en beargumenteerd met Nielsen oneens zijn, is mijn voorbereiding op twee dagen ondergedompeld worden in Nielsens usability-evangelie door een User Experience Specialist van de Nielsen Norman Group. Ik ga proberen te bloggen wat ik op 23 en 24 april heb opgestoken. Alleen nog een fatsoenlijke vertaling van mobile user experience zien te vinden — 'mobiele gebruikerservaring' klinkt toch een beetje alsof ik het ga hebben over de belevenissen van rondwandelende heroïnespuiters...

donderdag 3 mei 2012

Geslachtsziekte

Drie maanden geleden blogde ik voor het eerst over mijn stamboomwebsite. Inmiddels is de 500ste pagina uit mijn toetsenbord gerold en staat van zo'n 160 mensen met de achternaam Van Selm een levensloop online. Ik heb er nog geen archiefinstelling voor van binnen gezien, want aan een internetverbinding heb ik genoeg om geboorten, dienstplicht, huwelijken en overlijden in de 19de en eerste decennia van de 20ste eeuw in beeld te krijgen: via Genlias kan ik op naam te zoeken in grote delen van de Nederlandse Burgerlijke Stand, op FamilySearch zijn scans van de bijbehorende akten te vinden en op Militieregisters.nl komen langzaam maar zeker de gescande inschrijvingsregisters van de Nationale Militie online.

Maar ik zou geen echte historicus zijn als ik niet méér wilde. Daarom begint het zo langzamerhand tijd te worden om mijn onderzoek van internet naar archiefinstellingen te verplaatsen. Ik wil verder terug in de tijd, om aan de hand van kerkelijke doop-, trouw- en begraafregisters — dé bronnen over personen vóór de invoering van de Burgerlijke Stand in 1811 — te achterhalen of de verschillende 'plukken' Van Selmen in Nederland afstammen van een gezamenlijke voorvader. En komt die ene voorvader uit Duitsland? Of uit de Achterhoek?

Voor de 19de eeuw wil ik de Burgerlijke Stand en Militieregisters voorbij: er staat een flinke duik in de archieven van successiekantoren, het kadaster, notarissen en rechtbanken op het programma. Aan de hand van overlijdensdata kan ik nagaan of er een memorie van successie is opgemaakt, een overzicht van bezittingen en schulden van een overledene dat door een belastingambtenaar werd opgesteld om te bepalen hoeveel successierechten er betaald moesten worden. Om de rekensommen gaat 't me niet, wel om de namen van de erfgenamen en hun relatie tot de overledene, en om het eventueel vermelde onroerend goed.

Dat onroerend goed kan ik nazoeken in het kadaster. Sowieso heb ik voor onderzoek in het kadaster al een 'verlanglijstje': de adressen die ik tegenkwam in geboorte- en overlijdensakten. De resultaten van al dat zoekwerk gaan ongetwijfeld aanknopingspunten bieden voor leuke knutselwerkjes met Google Maps, maar zo ver ben ik nog lang niet: eerst maar eens de weg zien te vinden in aanwijzende tafels, leggers, registers, naamlijsten en kaarten. Huizen vol historie, een gids voor huizenonderzoek in de provincie Utrecht, ligt inmiddels op mijn virtuele nachtkastje.

Het erven, kopen en verkopen van (on)roerend goed laat nog een paper trail achter, in notariële archieven: testamenten, akten van boedelscheiding, akten van verkoop en hypotheekakten. Over overlijden gesproken: als iemand bij zijn of haar overlijden minderjarige kinderen naliet, moest een toeziend voogd worden aangesteld. Als ook de tweede ouder overleed, diende bovendien een voogd te worden benoemd. Deze benoemingen werden in de periode 1811-1838 gedaan door vrederechters, daarna door kantonrechters — enter de rechtbankarchieven en mijn lijstje van (half)wezen dat ik op basis van Burgerlijke Standgegevens al heb opgesteld.

De lastigste klus wordt waarschijnlijk het opsporen van notariële akten van plaatsvervanging. Als een jongeman werd ingeloot voor de Nationale Militie maar de dienstplicht wilde laten vervullen door een plaatsvervanger, moest daarvoor een contract in de vorm van een notariële akte worden opgesteld. Hoe ik deze akten op het spoor moet komen zonder te weten welke notaris de akte opstelde, is me nog niet helemaal duidelijk. Ik weet vaak niet méér dan de woonplaats van de loteling in kwestie en dat hoeft niet de standplaats van de betrokken notaris te zijn.

Eén ding is wel duidelijk: ik ga nog heel wat uren doorbrengen in het Regionaal Historisch Centrum Vecht en Venen in Breukelen, het Regionaal Historisch Centrum Zuidoost Utrecht in Wijk bij Duurstede en Het Utrechts Archief in Utrecht. En volgend jaar op familiebezoek in Zuid-Afrika?

zondag 29 april 2012

Webtoolworkshops

Het begint als een plannetje voor een aantal workshops van een uur, naar het voorbeeld van de Amerikaanse brown bag seminars: informele (trainings)bijeenkomsten tijdens de lunchpauze. Bij de Universiteitsbibliotheek in een uurtje basiskennis opdoen over RSS en Google Alerts, Delicious, Google Docs, SlideShare, LinkedIn of Twitter. Zes workshops rondom steeds dezelfde drie vragen: wat is het, waar dient het voor en hoe werkt het?

Via de wandelgangen hoort collega Esther ten Dolle van mijn plannetje. Ze nodigt me uit om de door haar gereserveerde computerzaal te gebruiken op dagen waarop zij geen cursus geeft. Omdat de zaal voor steeds twee uur beschikbaar is, pas ik mijn plannetje aan: het worden drie workshops van twee uur, één per week, drie weken achter elkaar, in oktober 2011. LinkedIn en Twitter belanden op de reservebank, eerst maar eens uitproberen of er belangstelling is voor de 'productiviteitstools': RSS & Google Alerts, Delicious, en Google Docs & Slideshare, bijeen gebracht onder de slogan Get organised!

Belangstelling blijkt er te zijn: bij bibliotheekcollega's, maar ook bij medewerkers van faculteiten en andere universiteitsdiensten. In hun evaluaties zijn de 'proefkonijnen' vrijwel unaniem enthousiast. Daarom starten we in februari van dit jaar een tweede serie: de workshops uit oktober gaan in de herhaling, LinkedIn en Twitter komen van de reservebank. Het 'docentencorps' groeit van één naar drie: Esther neemt de workshop RSS & Google Alerts van me over, Alice Doek de workshop Google Docs & Slideshare. Omdat nu niet meer uitsluitend productiviteitstools voorbij komen, wordt UBA Webtool Workshops de vlag om de lading te dekken.

Voor elke workshop maak ik een PowerPointpresentatie (*): voor mij een leidraad tijdens het geven van de workshop, voor de deelnemers — ik zet na een workshop de pdf online — een geheugensteuntje na afloop. Na een korte uitleg van het nut van een applicatie doen we een 'knoppenrondje': welke instelling zit waar, met welke knop kan ik wat? De deelnemers klikken mee en passen die kennis direct toe in de oefeningen, een stuk of vijf per workshop. Een workshop eindigt met een paar extra's: tips en links uit de categorie nice to know, als toetje op het need to know van de rest van de workshop. Voorkennis is niet vereist, hoogstens vraag ik de deelnemers om van tevoren een account aan te maken.

De workshops blijken over drie drempels heen te helpen: tijdgebrek, twijfel aan eigen computerkunnen, en aarzelingen over de openbaarheid van internet. Door hun aanmelding voor de workshop hebben de deelnemers twee uur in hun agenda doorgestreept waarin geen andere dingen hun aandacht opeisen. Ze hoeven bovendien niet op eigen houtje aan de slag. De workshop wordt gegeven door iemand die de applicatie zelf gebruikt, weet wie wanneer wat kan zien bij welke instellingen, advies kan geven dat in de gemiddelde handleiding niet voorkomt, bereid is mee te kijken als iets niet lukt, en ook na de workshop als vraagbaak beschikbaar blijft.

Of er na de zomer een nieuwe reeks komt, is inmiddels geen vraag meer. We hebben alleen nog 'n paar knopen over de inhoud door te hakken: houden we het bij de vijf workshops die we hebben of breiden we ons assortiment uit met — bijvoorbeeld — Prezi, Facebook of bloggen? En houden we het bij bijeenkomsten voor beginners of bedenken we ook workshops voor gevorderden? Hoe dan ook: ik heb er nu al zin in :-)

(*) Zie voor de PowerPointpresentaties mijn SlideSharepagina: RSS & Google Alerts / Delicious / Google Docs & SlideShare / Twitter / LinkedIn

maandag 20 februari 2012

Van prutsen naar prikken

Vorige week zocht ik de link naar een afbeelding die ik een week daarvóór ergens online gezien had. Het plaatje had ik opgeslagen, maar in mijn blogpost wilde ik ernaar linken. Het adres van de bijbehorende website had ik niet opgeslagen in Delicious, omdat ik nog niet wist dat ik die link nodig ging hebben. Komt die situatie je bekend voor? Dan heb ik goed nieuws: de dagen van zoeken naar waar die ene afbeelding ook alweer vandaan komt, zijn over.

In het vervolg prik je zo'n plaatje namelijk op je eigen virtuele prikbord: Pinterest. De werking is uiterst eenvoudig: je opent een gratis account bij Pinterest, plakt een Pin-it-knop op de werkbalk van je browser, en maakt één of meer virtuele prikborden aan. Als je vervolgens op een website komt waar een afbeelding staat die je wilt bewaren, prik je deze afbeelding met één druk op de knop op één van je prikborden, eventueel voorzien van je eigen commentaar. De link naar de vindplaats zet Pinterest er automatisch bij.

De vergelijking met Delicious ligt voor de hand: in Delicious sla je links op, in Pinterest (links naar) afbeeldingen. Zoals je binnen Delicious links van anderen op je eigen pagina kunt opslaan, kun je op Pinterest pins van anderen 'repinnen': afbeeldingen die 'n ander op zijn Pinterestprikbord heeft gezet aan je eigen prikbord toevoegen. Je kunt pins van anderen 'liken' - je bewaart ze dan in een aparte like-sectie van je Pinterestprofiel, niet op één van je eigen prikborden - en van een comment voorzien, à la Facebook. Je kunt eigen afbeeldingen uploaden naar Pinterest, à la Flickr. En je kunt (specifieke prikborden van) andere pinners volgen, à la Twitter.

Natuurlijk heb ik Pinterest direct ingezet voor mijn stamboomonderzoek: op 'n prikbord Genealogy prik ik mooie grafische weergaven van stambomen, op mijn prikbord Vinkeveen 'hangen' foto's van m'n geboortedorp. En in het kader van een geplande reorganisatie van mijn huisbibliotheek ben ik begonnen aan het verzamelen van plaatjes van originele boekenplanken. Mijn bibliotheek zelf zal ik niet op Pinterest zetten, want die staat al op LibraryThing - maar misschien kunnen we bij de UB iets met Pinterest? Ideeën en mogelijkheden genoeg...

Toevoeging 22-02-2012: lees ook mijn digitale gesprek met Raymond Snijders over de auteursrechtelijke keerzijde van Pinterest.

Pinterest is momenteel invite only - ik stuur je 'n uitnodiging als je me laat weten op welk e-mailadres je die ontvangen wilt.